Frank Willaert

Toespraak bij het afscheid van Ad Leerintveld als conservator na-middeleeuwse handschriften van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag
28 november 2017

Beste vrienden en collega’s van Ad,
Dierbare Ad,

Van sommige vriendschappelijke relaties in ons leven kunnen we ons met grote precisie herinneren waar en wanneer ze zijn begonnen. Zo kan ik nooit het P.C. Hoofthuis in de Spuistraat te Amsterdam voorbijlopen, zonder aan Ad te denken, en aan vrijdag 19 januari 2007. Op die dag en in dat gebouw vond een soort staten-generaal plaats van de neerlandistiek. Niets minder dan de toekomst, misschien zelfs het voortbestaan van mijn vak was het onderwerp van deze bijeenkomst, die naar aanleiding van een geruchtmakend nummer van het nochtans eerbiedwaardige Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde werd georganiseerd.
Ik had in de overdrukke hal pas een plastic beker koffie veroverd, toen ik aangeklampt werd door een wat opgewonden persoon, van wie ik niet veel wist, behalve dat hij Ad Leerintveld heette en aan de Koninklijke Bibliotheek van Den Haag verbonden was. Hij moest mij absoluut, dringend en onder vier ogen spreken. Het bekertje instituutskoffie liet ik zonder veel hartzeer achter, en ik volgde mijn gesprekspartner die mij in een verschroeiend tempo door een doolhof van smalle straatjes leidde tot hij een niet al te drukke kroeg vond, waar we aan een tafeltje neerploften. Pas toen onze bestelling was opgenomen, en hij van mij absolute geheimhouding had gevraagd en gekregen, fluisterde hij me toe: “We hebben het Gruuthusehandschrift gekocht”.
Als Ad de opdracht had gekregen uit te vissen welke indruk deze boodschap op een Vlaming zou maken, dan was zijn missie ongetwijfeld geslaagd. Of hij het kon zien, weet ik natuurlijk niet, maar zelf voel ik nog altijd hoe het bloed uit mijn gezicht wegtrok. Het Gruuthusehandschrift! Dat was toch Brugs! Dat was toch Vlaams! Dat was toch… van ons! En ik herinnerde me een vergadering in de KANTL, de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde in Gent enkele maanden eerder, waarop een advies aan de Vlaamse regering met betrekking tot een lijst literaire topstukken was besproken. Welke literaire bronnen in particulier bezit mochten onder geen beding het land verlaten? Hoe ik meteen geroepen had: “Het Gruuthusehandschrift, natuurlijk.”
Op dat ogenblik wist niemand in de KANTL, waar dat handschrift zich eigenlijk bevond. Het gerucht ging dat het handschrift sinds het overlijden van zijn eigenaar baron Ernest van Caloen, in 1995, en van diens echtgenote, in 2001, ontoegankelijk was en in een kluis werd bewaard. Te Brussel, zei de een. In Zwitserland, wist een ander. Als lid van de commissie die de uitgave van het Gruuthusehandschrift door het Huygensinstituut begeleidde, had ik me met de editeurs Herman Brinkman en de betreurde Ike de Loos en nog enkele collega’s, tweemaal, telkens gedurende twee dagen in de Volksabdij te Ossendrecht teruggetrokken, waar we ons over oude vlekkerige zwart-wit-foto’s van het handschrift bogen. Raadselachtige puntjes en streepjes werden door beide editeurs met grote zelfzekerheid opgelost. Ik had geen argwaan gekoesterd: Herman en Ike waren nu eenmaal zoveel betere paleografen dan ik…
Ontsteltenis dus, bij dat kleine zinnetje van Ad. Maar toch ook, en bijna meteen daarna: opluchting. Want eindelijk, eindelijk was het handschrift veilig. Geen veilinghuis, geen anonieme koper, geen captain of industry die het manuscript in een kluis zou doen verdwijnen. Eindelijk zou het beschikbaar komen voor wetenschappelijk onderzoek. En voor eenieder die er maar belangstelling voor had. Want er was een website op komst, vertelde Ad. Met hoogwaardige foto’s van het integrale handschrift. Met transcripties door Herman Brinkman. En met wetenschappelijk commentaar daaromheen.
Hoe zou men in Vlaanderen reageren, wilde Ad weten. Hierover helderheid te krijgen, was duidelijk het doel van zijn overrompelende ochtendlijke exercitie. Mijn antwoord zal hem niet verrast hebben. Dit wordt een enorme rel, verzekerde ik hem. Maar die website, dat was natuurlijk een uitstekend idee. En misschien konden we ook snel een congres organiseren, in Vlaanderen uiteraard? En een tentoonstelling, in Brugge? Zodat duidelijk werd dat hier om erfgoed ging van de hele Nederlandstalige gemeenschap, in Noord én in Zuid. We smeedden plannen en ik voelde dat ik geleidelijk zelf steeds opgewondener en enthousiaster werd. Toen kwam het moeilijkste. Tot 1 maart moest er gezwegen worden. Dan zou een persbericht uitgaan. En ging de website online. En mocht er iets uitlekken: hier was het telefoonnummer van de dienst communicatie van de KB. Het was duidelijk dat Ad dit gesprek goed had voorbereid. We keerden terug naar de Spuistraat. Met Ad die ik voordien nauwelijks kende, verbond mij nu een groot geheim.

Maar dat geheim lekte uit. Op Valentijnsdag 2007 – het was avond en ik stond op het punt met mijn liefste te vertrekken naar een restaurant – werd ik opgebeld door mijn oud-studente Greet Op de Beeck – niet te verwarren met de ook hier welbekende schrijfster Griet Op de Beeck –, toen journaliste bij de nieuwsdienst van de VRT. Of het inderdaad zo was dat het Gruuthusehandschrift aan de KB Den Haag was verkocht? En of ik bereid was daarover commentaar te leveren voor de camera? Als er nu een zendwagen vertrekt, zei ze me, dan halen we nog net het achtuurjournaal. Gebonden als ik was door mijn afspraak met Ad, deed ik afstand van mijn fifteen minutes of fame. Braaf gaf ik het telefoonnummer van de KB door. Een uur later zag ik hoe, aan het eind van het journaal, het nieuws vergezeld van wat oude archiefbeelden, de ether inging.
De ophef die in Vlaanderen ontstond, was inderdaad niet min. Pers, politiek en publiek reageerden verontwaardigd, nog meer toen bleek dat het handschrift ook aan instellingen in België was aangeboden. Het is hier niet de plaats om de staf te breken over fouten en verantwoordelijkheden. Positief was dat het gebeuren tot een grotere bewustwording leidde met betrekking tot het erfgoedbeleid, en dat nu met het opstellen van topstukkenlijsten meer vaart werd gemaakt. Maar ook de voortreffelijke wijze waarop de Haagse KB het Gruuthusehandschrift (en uiteraard ook ander kostbaar bezit) integraal ontsloot en in de vitrine van het internet plaatste, maakte indruk. In brede kring rijpte nu het inzicht dat het in een toekomstgericht bibliotheek- en archiefbeleid niet alleen om bezit, maar vooral om toegang gaat. Het voorbeeld van de Haagse KB maakte en maakt nog steeds indruk, en als mediëvist kan ik enkel hopen dat zij haar inspirerende rol zeker met betrekking tot haar middeleeuwse bezit verder waar blijft maken.
Wie terugkijkt naar anderhalf decennium Gruuthuse-onderzoek, kan er niet omheen dat dit, mede dankzij de verwerving van het manuscript een fenomenale sprong voorwaarts heeft gemaakt. Dat heeft natuurlijk op de eerste plaats te maken met de schitterende editie die Herman Brinkman en Ike de Loos van het handschrift hebben geleverd, hoezeer het ook te betreuren is dat deze wetenschappelijke topprestatie in Vlaanderen veel minder aandacht heeft gegenereerd dan de geruchtmakende verkoop. Zo weten we nu veel meer over het ontstaan van het handschrift, dat aanvankelijk opgezet was als een zorgvuldig geconcipieerd en hiërarchisch gestructureerd geheel – eerst een programmatisch gedicht, vervolgens drie gebeden en tenslotte ruim honderdveertig liederen – maar dat een groeicodex werd, “un livre où un auteur” – en dat moet dan bijna zeker Jan van Hulst zijn geweest – “mettait toutes ses choses”, om de veertiende-eeuwse Franse dichter en componist Guillaume de Machaut te parafraseren. Deze naam laat ik hier niet toevallig vallen: in veel opzichten blijkt het Gruuthusehandschrift, op wijzen die nog altijd niet voldoende zijn onderzocht, onder de invloed te staan van wat ik maar gemakshalve ‘de school van Machaut’ zal noemen. Die invloed is echter op zeer eigenzinnige wijze verwerkt. Niet alleen wat de poëzie maar ook wat de muziek betreft lijken Franse tradities zich met lokale West-Vlaamse, om niet te zeggen Brugse, maar ook Rijnlandse invloeden vermengd te hebben, wat maakt dat het handschrift ook in Europees perspectief een volstrekt unieke positie inneemt. En daarmee past het – zoals Frits van Oostrom het in zijn Wereld in Woorden met brio heeft laten zien – perfect in het laatmiddeleeuwse Brugge, dat niet alleen in economisch maar ook in cultureel opzicht op de drempel van de vijftiende eeuw een internationale uitstraling bereikte, die het nooit meer heeft geëvenaard. Daarbij is het steeds waarschijnlijker geworden dat de teksten in het Gruuthusehandschrift het werk zijn van één geniale dichter, Jan van Hulst, stadsbode, gerechtsdienaar, organisator van grootse feesten, schilder, zanger en dus ook auteur, die – zoals de kunsthistoricus Jos Koldeweij heeft laten zien – ook ver buiten Brugge, in ’s-Hertogenbosch furore maakte. Tegelijk taande in het voorbije decennium de ster van die andere mogelijke auteur, Jan Moritoen, vermoedelijk geen dichter maar waarschijnlijk één van de vele Bruggelingen die een beroep deed op de literaire talenten van zijn briljante stadsgenoot. Maar naarmate we meer te weten kwamen over Moritoen, werd het ook steeds duidelijker in welk milieu we het handschrift moeten situeren: dat van welstellende ambachtslieden, makelaars en stadsbestuurders.
Rond het Gruuthusehandschrift komen dan ook verschillende disciplines samen: neerlandici en musicologen, dat spreekt vanzelf, maar ook historici, kunsthistorici, germanisten, romanisten, codicologen en paleografen. Al die disciplines met elkaar in gesprek te brengen was ook de bedoeling van de twee Gruuthusecongressen die sinds 2007 in Vlaanderen hebben plaatsgevonden: de eerste, vrij kort na de aankoop, in de KANTL op 30 november 2007, de tweede in Brugge van 25 tot 27 april 2013. Dit laatste congres vond plaats in de marge van een groots opgezette tentoonstelling in het Gruuthusepaleis te Brugge, die meer dan 25000 bezoekers trok en het Gruuthusehandschrift situeerde in zijn historische, artistieke, muzikale, religieuze en uiteraard niet te vergeten literaire context. Zo ontstond rond het handschrift een intense interdisciplinaire discussie, met een vertaalslag naar het brede publiek toe. In de commissie die gedurende verschillende jaren de tentoonstelling voorbereidde, speelde Ad een belangrijke rol. Hij was niet alleen dé vertegenwoordiger van de Koninklijke Bibliotheek , maar ook een zeer betrokken gangmaker en bezieler. Al in ons allereerste gesprek in Amsterdam, en nog duidelijker naar aanleiding van het eerste Gruuthusecongres in de KANTL, had hij duidelijk laten verstaan dat die tentoonstelling er moest komen, en dat het handschrift bij die gelegenheid moest terugkeren naar de plaats waar het vandaan kwam: naar Brugge, en dan het liefst naar het Gruuthusepaleis zelf. Daarmee concretiseerde hij, en concretiseerde de KB – want Ad, ik heb nooit helemaal het verschil kunnen maken tussen jou en de instelling die je vertegenwoordigde, inzake Gruuthuse wás je voor mij eigenlijk de KB – de uitspraak die de Antwerpse boekhistoricus en universiteitsbibliothecaris Ludo Simons deed op het ogenblik dat de polemiek rond het “verloren” handschrift in Vlaanderen volop woedde: ‘Het luidde dat wij helaas een belangrijk stukje erfgoed kwijt zijn. Hoezo kwijt? We hebben het nu voor het eerst! Wij de, de Nederlandstalige gemeenschap, of het publiek in een nog ruimere zin.’
Maar keerde het Gruuthusehandschrift tussen 22 maart en 23 juni 2013 werkelijk terug naar de plaats waar het in de middeleeuwen verbleven had? Anders geformuleerd: was het Gruuthusehandschrift wel een Gruuthusehandschrift? Sommige onderzoekers, en waarlijk niet de minsten, waren de mening toegedaan dat het handschrift nooit aan de Brugse edelman, diplomaat en Gulden Vliesridder Lodewijk van Gruuthuse had toebehoord, en dat het eigendomsmerk onderaan op fol. 2 r° – het wapen van Lodewijk van Gruuthuse met daaromheen de ketting van de orde van het Gulden Vlies – als een postmiddeleeuwse vervalsing moest worden beschouwd. In het debat hieromtrent heeft Ad een cruciale rol gespeeld, en werd nog maar eens de meerwaarde duidelijk van het feit dat het handschrift zich in een prestigieuze en slagvaardige instelling als de KB bevond. Door toepassing van natuurwetenschappelijke methodes, meer bepaald Hyper Spectral Imaging en röntgen-fluorescentieonderzoek en dank zij de onmisbare hukp van de Bibliothèque nationale de France kon Ad samen met Henk Porck en onderzoekers verboden aan het Nationaal Archief, de Universiteit Antwerpen en het hoogtechnologische bedrijf DEMCON b.v. met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aannemelijk maken dat het eigendomsmerk wel degelijk als authentiek moest worden beschouwd. De resultaten van deze technologische onderzoekingen zijn door de zorgen van Henk Porck en Ad in een ook voor niet-ingewijden begrijpelijke taal en met veel onmisbare illustraties gepubliceerd in de twee Gruuthusecongresbundels die ik heb mogen uitgeven.
Beste Ad, sedert onze korte maar hevige kroegentocht van 2007 ben jij voor mij altijd verbonden gebleven met een van mijn geprefereerde onderwerpen van onderzoek, het Gruuthusehandschrift. Je trad daarbij altijd op als een buitengewoon innemende, altijd positief ingestelde en ondernemende gesprekspartner, die een voor Vlamingen toch wat pijnlijke plek met tact en vriendelijkheid wist weg te masseren. Ik denk dat ik ook de mening vertolk van alle Gruuthusevorsers als ik je zeg dat ze je zeer dankbaar zijn voor de wijze waarop je ons onderzoek hebt gefaciliteerd en er zelf aan hebt bijgedragen. We hopen dat je de toon hebt gezet voor nog vele jaren van prettige samenwerking met de instelling, waarvan je zo’n voortreffelijke ambassadeur bent geweest.

Leave a Reply