Frank Willaert

PUNCTUM

Afscheidsrede Universiteit Antwerpen 8.9.2017

Foto: Bernadette Rutgeerts

Wanneer ik terugdenk aan de vele emeritaatsvieringen die ik tijdens mijn loopbaan heb meegemaakt, komt me het afscheid van een even eminente als beminnelijke collega voor de geest, de schrijver Paul de Wispelaere. Dat was, naar ik vermoed, in het voorjaar van 1992. De Wispelaere was sinds 1973 eerst als docent, vervolgens als hoogleraar verbonden geweest aan wat toen de Universitaire Instelling Antwerpen heette, een van de drie universiteiten die deze stad toen rijk was en die samen op een aan buitenstaanders niet uit te leggen wijze de Universiteit van Antwerpen vormden.

Anders dan sommige collega’s in deze zaal heb ik de hoogleraar Paul de Wispelaere niet goed gekend. De afstand tussen de jezuïetenfaculteiten in de binnenstad, waar ik gelegerd lag, en de pluralistische UIA op haar Wilrijkse campus, was toen groter dan die naar Leiden, Utrecht of Nijmegen. Maar De Wispelaere had wel, in de toenmalige licenties, college gegeven aan dezelfde studenten die ik eerder in de kandidaturen had gehad; bovendien had hij kort tevoren op mijn uitnodiging een fraai gastcollege gegeven over Louis Paul Boon en de Reynaert, zodat ik spijt had dat ik hem niet beter had leren kennen. Van de viering herinner ik me niet veel meer, behalve de allerlaatste zin uit De Wispelaeres toespraak. Onverwacht, en zonder dat ik een duidelijk verband kon zien met wat hij eerder had gezegd, bezwoer hij ons: “En hoedt u voor de mammon!”

Die zin is me sindsdien altijd bijgebleven. Aanvankelijk, als ik eerlijk ben, vooral omdat ze me wat overtrokken en pathetisch leek. Doceerden wij toen allen niet in de Germaanse filo-logie, waren wij geen filo-logen, minnaars van het woord. Anders dan bio-, socio-, psycho- of socio-logen droegen wij, in het eerbiedwaardige gezelschap van de filo-sofen, de liefde uit voor ons vak. Van de minnaars van de zuivere wetenschap waren wij weliswaar niet de welvarendsten – het prefabgebouw waarin het afscheid plaatsvond, demonstreerde dat ten overvloede – maar toch zeker wel de zuiversten.

Ik maak nu een sprong in de tijd, naar 2006. We zijn al lang geen filologen meer, maar taal- OF letterkundigen. De drie universiteiten zijn opgegaan in één, en we hebben een nieuw logo. Met de Vereniging van Professoren luisteren we op de Campus Groenenborger naar de toespraak van een van onze vice-rectoren over het onderzoeksbeleid. Voor onze ogen ontrolt zich een PowerPoint-presentatie. Eén dia blijft in mijn geheugen haken, een staafdiagram. Talloze dunne staafjes, afwisselend rood en geel, dalen uit de hoogte van de y-as, eerst heel snel, dan in een langzame glijvlucht naar beneden, waar ze zich nagenoeg onzichtbaar vermengen met de x-as. ‘Kijk,’ zegt de vice-rector, ‘elk staafje stelt de funding voor, die ieder van u in de afgelopen vijf jaar heeft weten te verwerven. U ziet dat sommige collega’s enorme bedragen hebben binnengehaald. Maar u ziet ook dat er veel meer zijn, die weinig of niets hebben opgebracht.’

In een flits schoten de woorden van De Wispelaere door mijn geest. Want daar was hij dus, de mammon. En een existentiële angst beving me. Want waar was mijn staafje? Zat het veilig in de middenmoot, want meer durfde ik niet te hopen? En was dat dan genoeg? En wat was dat eigenlijk: genoeg?

De volgende jaren, met het nieuwe financieringsdecreet, leerden we rekenen: in doctoraten, in A1’s, in VABB-publicaties, in projecten. Bij onderzoeksvisitaties, promoties, evaluaties verschenen nu niet enkel de publicaties, maar ook de ingebrachte funding achter onze naam. Er zijn goede argumenten te bedenken voor dit systeem. Er zijn er ook veel – en wat mij betreft: veel meer – tegen. Het is hier niet de plaats om ze op te sommen. Maar één bezwaar lijkt me cruciaal: wat bedoeld was als een meetinstrument voor kwaliteit, werd snel een doel op zich.

De Gentse romanist en dichter Robert Guiette, wiens Questions de littérature men nog altijd met profijt leest – of zou moeten lezen – zei ooit: “Le plus grand tort des philologues, c’est de croire que la littérature a été faite pour des philologues.” Guiette werkte en schreef in de tijd dat de universiteit – om met de Engelse onderwijskundige Ronald Barnett te spreken – een instelling “In-Itself” was, vaak vergeleken met de ivoren toren, en het ene lijkt me niet zonder verband met het andere. Ondertussen heeft de ivoren toren plaats gemaakt voor de “entrepreneurial university”, of – om in Barnetts terminologie te blijven: the University For-Itself. Een van de kenmerken van dit model is dat de universiteit zich nu wel inlaat met de wereld, maar wel op zo’n wijze dat – ik citeer nog steeds Barnett – “its activities in the world […] are only enacted insofar as they yield a financial return on the resources expended.” Voor geesteswetenschappers, in dit geval literatuurwetenschappers, betekent dit dat zij hun eigen belang en dat van hun werkgever dienen door (b.v.) op zo’n wijze te publiceren, dat een “return on investment” mogelijk wordt. Guiette parafraserend zou men b.v. kunnen zeggen: “Le plus grand tort des philologues c’est de croire que la littérature a été faite pour le VABB.”

De zomervakantie, en daarmee de komkommertijd, is pas achter de rug. In Vlaamse bladen werd die opgeluisterd door een vermakelijke polemiek tussen drie kookgoeroes over de plaats van quinoa en boter in onze keuken, in Nederland – dat land van schriftgeleerden – heropende men een al wat belegen debat over de grandeur maar vooral de misère van de literatuurwetenschap. Het debat werd – zoals de meesten hier weten – geopend met een wat rellerig stuk getiteld ‘Onleesbaarheid troef in literatuurwetenschap’ van de filosoof en auteur Sebastien Valkenberg, en leidde tot een keten van reacties waarvan die van een paar Vlaamse collega’s niet de minst interessante waren. Het beeld dat Valkenberg van de literatuurwetenschap schetste was karikaturaal, wat hem terecht door verschillende van zijn critici werd aangewreven. Maar onder de makkelijke karikatuur smeulde naar mijn gevoel toch een diepere onvrede, die te maken had met de vraag: “Voor wie doen zij het, de literatuurwetenschappers?”

Voor wie doen wij het? Het antwoord lijkt me te zijn: voor de studenten in onze collegezalen; voor leerlingen; voor de hele Nederlandstalige gemeenschap; en zelfs – via vertalingen en de weidse vertakkingen van de neerlandistiek extra muros – voor de wereld. Als docent en als onderzoeker hoop je telkens weer dat van tekst naar lezer of luisteraar een vonk over zal springen. Dat interesse die zichzelf nog niet kende gewekt wordt. Als docent waren voor mij toch mooie momenten, die waarop een student of ex-student me toevertrouwde: “Ik had nooit gedacht dat Middelnederlands mij zou kunnen interesseren.”

Meer dan aan een entrepreneurial university hebben we daarom nood aan een civic university, een universiteit die zich opent op de wereld en op mogelijke werelden. En in zo’n universiteit heeft de literatuurwetenschap wel degelijk een bescheiden partij mee te spelen. Het stimuleren van belangstelling voor literatuur is mijns inziens dan ook de beste verantwoording voor het bestaansrecht van ons vak. Dat zal slechts in beperkte mate gebeuren als we enkel en alleen binnen de lijntjes kleuren van de “objectieve”, en dus becijferde criteria van ons personeelsdossier. Maar de mogelijkheden zijn talrijk en veelvormig, en de nieuwe media hebben die op zo’n exponentiële wijze verruimd, dat we ze nog niet volkomen bevatten.

Die interesse van ons doelpubliek is niet programmeerbaar. Ze kan niet opgelijst worden als leerdoel, ze hoort niet thuis in een lijst met competenties of in een toetsmatrijs, en ze kan niet na een examen worden afgevinkt. Je kunt ze faciliteren, maar niet creëren; je kunt ze aanmoedigen, maar niet veroorzaken.

Voor de in hun ogen noodzakelijke verbinding van lectuur met emotie hadden de middeleeuwers een woord: punctum. Het Latijnse pungo betekent “steken, prikken, in iets dringen” en dus “verwonden”. Zoals de pen het perkament verwondde voor het plaatsen van een punt, zo kan ook een mens “verwond” of “getroffen” worden door een tekst. Voor een middeleeuwse monnik, onvermijdelijk een grote en langzame lezer, moest het punctum leiden tot zijn innerlijke transformatie tot een beter en wijzer mens.

De Franse filosoof Roland Barthes heeft dit begrip punctum gebruikt in La chambre claire, zijn essay over de fotografie. Punctum is voor hem het onverwachte detail dat uit de foto vertrekt en hem raakt, “comme une flèche”. Dat punctum stelt hij tegenover het begrip studium, de toewijding aan een zaak en daarvan afgeleid dus: de studie. Anders dan punctum vindt studium zijn oorsprong in het subject, dat zijn engagement onder controle heeft. “Le studium,” schrijft hij, “est de l’ordre du to like, et non du to love; il mobilise un demi-désir, un demi-vouloir.”

Meer dan Barthes doet in zijn knappe essay zou ik echter de nadruk willen leggen op de complementariteit van studium en punctum. Zeker in de studie van oude literatuur – en wordt niet alle literatuur, steeds sneller, oud? – is studium noodzakelijk, al is het maar om te weten wat die schrijvers wilden zeggen. Maar zij hébben ons ook nog iets te zeggen. Hun oude teksten beleren, provoceren, fascineren en irriteren ons. Zij halen ons uit het hoogmoedige comfort van onze vanzelfsprekendheden, en zodoende veranderen ze ons. Als ik zelf een oude, wat mystiek “angehauchte” middeleeuwse schrijver was geweest, dan had ik het, zwaar leunend op een grote voorgangster uit de dertiende eeuw, wellicht zo geformuleerd :

 

De ware lezer heeft twee ogen. Dat zijn Studium en Punctum. Studium gaat te werk langs veilige paden. Hij heeft meer zin voor maat en methode dan Punctum, maar Punctum voelt meer passie dan Studium. Toch helpen deze twee elkaar onderling in de hoogste mate, want Studium onderwijst Punctum en Punctum bezielt Studium. Wanneer Studium zich dan overgeeft aan de passie van Punctum, en Punctum zich laat dwingen en binden door het weten van Studium, dan zijn ze samen in staat tot buitengewone dingen.

 

Beste aanwezigen, of – zoals mijn oud-student Wim Helsen het ongetwijfeld zou zeggen – “dierbare vrienden van de poëzie”, ik had de voorbije drieëndertig jaar – het getal bevat teveel symboliek om het hier onvermeld te laten – de aan weinigen vergunde kans om mij te wijden aan onderzoek en onderwijs van de Middelnederlandse letterkunde. Ongetwijfeld hebben die oude teksten ook mij veranderd: Veldeke heeft me lichtvoetiger gemaakt, de Reynaert leerde me de wellust van de wreedheid kennen, Hadewijch heeft me doen zien dat onder goede daden ook eigenbelang kan schuilen, Jan van Mandeville toonde zich onverwacht open ten aanzien van de islam, de Gruuthuseliederen vervullen me steeds weer met bewondering voor het talige en muzikale meesterschap van hun maker.   Het is mij gegund geweest mijn enthousiasme voor deze en andere auteurs en teksten met studenten en collega’s te delen. Ik ben de Universiteit Antwerpen intens dankbaar dat ze in mij haar vertrouwen heeft gesteld. Als ik mij in woord en geschrifte wel eens kritisch over haar heb uitgelaten, dan hoop ik dat zij heeft gezien als een bewijs van de grote, onhandige liefde die ik haar toedraag.

Ik heb het voorrecht gehad deel uit te maken van een generatie collega’s die het goed met elkaar konden vinden en steeds bereid waren anderen te laten delen in hun deskundigheid. Ik heb ervaren dat kameraadschap en openheid een krachtiger motor zijn voor succes dan concurrentie, egotripperij en geheimdoenerij. Ik heb intens genoten van de vele en diverse vormen van samenwerking die we steeds weer met elkaar hebben opgezet. Wat ik heb kunnen doen in onderzoek en onderwijs: het zou veel minder zijn geweest als ik niet had kunnen rekenen op hun gulle deskundigheid, hun eerlijke kritiek en bovenal hun vriendschap.

Als ik aan deze Universiteit graag heb gewerkt, dan had dat alles te maken met de goede verhoudingen binnen en buiten de faculteit, in het departement Literatuurwetenschap, in het Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Nederlanden, en met de collega’s van het Ruusbroecgenootschap en het Departement Geschiedenis. Maar iedereen zal wel begrijpen dat ik nu vooral denk aan al degenen die nu of in het verleden mijn medewerkers zijn of zijn geweest. Omdat zij er waren, kwam ik graag naar de campus. Ik ben er trots op dat ik de ontplooiing van hun talenten van nabij heb mogen meemaken. Van ieder van hen heb ik veel geleerd, en dat strekte zich uit van de codicologie van Bernardushandschriften over mijn pathetisch geworstel met de informatica tot de geschiedenis van rap en hiphop. Dat ze het door de jaren heen ook onderling goed met elkaar hebben kunnen vinden: ik sloeg het met genoegen gade. Een concreet bewijs is natuurlijk deze viering, die ze samen in het geheim hebben beraamd. Toen de geheimzinnigheid niet meer helemaal vol te houden viel, moest ik me tot het uiterste inspannen om niet te zien met hoeveel inzet en overgave ze deze dag voorbereidden. Ik kan me voorstellen dat mijn vertrek voor hen ook wel een beetje een verlossing zal zijn.

Mijn laatste woord betreft mijn wijze, vrolijke, creatieve, kunstzinnige en gastvrije Greetje. Ze heeft me vele jaren gesteund en me vaak moeten missen. Dat dank zij haar ook een dochter en een fantastische kleinzoon in mijn leven zijn gekomen, was een prachtig geschenk. Zij verdienen meer tijd en aandacht, dan ik hen tot nu toe heb kunnen geven.

Ik heb gezegd.

Punctum!

 

 

2 Responses so far.

  1. Guido Marnef says:

    Beste Frank,
    Ik kon jammer genoeg niet op je afscheidsviering aanwezig zijn maar ik ben heel blij dat ik langs deze weg je toespraak kon lezen (en ik hoorde je het ook wel zeggen). Ik dank je voor de inspirerende en bevlogen collega die je was en ik wens je een heel deugddoend en welverdiend emeritaat toe!
    Hartelijke groet en ongetwijfeld tot ziens,
    Guido

    • admin says:

      Beste Guido,
      Dank voor je vriendelijke woorden. Het genoegen was (en is – want ik wil nog niet helemaal uit beeld verdwijnen) trouwens in alle opzichten wederzijds. Ik wens je een vruchtbaar academiejaar toe, weinig stress, en veel vreugde bij het vorsen en doceren.

Leave a Reply