Frank Willaert

 

Nog altijd heet het dat de  centrale opdracht van een universiteit is: de ontwikkeling , ontsluiting en verspreiding van kennis. Door “the attainment of truth” wil ze bijdragen aan een verlichte, rationeel denkende en handelende maatschappij. Latijnse woorden als veritas en lux scoren nog altijd hoog op de frequentietabellen van universiteitsmotto’s, zoals Fiat lux (UCLA), Lux et veritas (Yale) of, bij de meest prestigieuze van allemaal, simpelweg Veritas (Harvard).

 

Nog altijd ziet de hoogleraar zichzelf als een strijder in de voorhoede van dit kennisoffensief.  Hij wil de grenzen van het weten verleggen en hoopt dat dit door zijn collega’s wordt erkend. Schijnbaar achteloos speurt hij in de bibliografie van het nieuwe proefschrift naar zijn eigen bijdragen. De acceptatie van een artikel in het juiste tijdschrift geeft hem grote voldoening.  Een wetenschappelijke prijs vervult hem met trots. En de mooiste onderscheiding is wel het eredoctoraat, de officiële erkenning door een andere universiteit dat zijn leven in dienst van de wetenschap niet voor niets is geweest.

 

Als ijveraarster voor de Waarheid, als verspreidster van het Licht, ziet de universiteit zichzelf ook als een hoeksteen van andere deugden:  Veritas – Iustitia – Libertas luidt de fiere leuze van de Freie Universität Berlin, en ook op deze formule zijn talloze variaties te vinden. En zo is er de voortreffelijke traditie van het eredoctoraat algemene verdiensten, waarmee de universiteit  diegenen onderscheidt, die voor het recht, de vrijheid, de schoonheid of voor de menselijke waardigheid zijn opgekomen.

 

Met die eredoctoraten is de laatste jaren echter iets bijzonders aan de hand. Universiteiten zijn op zoek naar voortreffelijke kandidaten, voorzeker, maar dan toch bij voorkeur naar diegenen die op een zo breed mogelijke persbelangstelling kunnen rekenen. Wat ooit een eerbewijs was van de universiteit aan iemand die zich voor de wetenschap of voor zijn medemensen verdienstelijk had gemaakt, een met academisch gezag omkleed appél aan de maatschappij om aandacht te hebben voor een buitengewone persoonlijkheid, wordt een middel om de schijnwerpers vooral op zichzelf te richten.

 

En nu is in deze ontwikkeling een nieuwe stap gezet. Op donderdag 25 april zullen aan mijn universiteit vier buitenlandse topwetenschappers het podium moeten delen met vijf Vlaamse toprectoren, waarvan er vier het eredoctoraat algemene verdiensten uit de handen van de vijfde in ontvangst zullen nemen.

 

Uiteraard nemen die rectoren dat eredoctoraat niet in ontvangst in eigen naam, maar in die van hun topuniversiteit. Een persmededeling maakt dat duidelijk: ‘Met dit eredoctoraat willen we duidelijk maken dat de Vlaamse universiteiten de voorbije jaren steeds vaker en intensiever zijn gaan samenwerken, en dat die samenwerking de wereldwijde reputatie van ons onderwijs en onderzoek absoluut ten goede komt. De cijfers bewijzen dat: als we bijvoorbeeld naar het aantal wetenschappelijke publicaties per hoofd van de bevolking kijken, volgt Vlaanderen in de slipstream van de Scandinavische landen, en laten we onder meer Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië achter ons.’

 

We werken blijkbaar meer en meer samen. Vergeten zijn de vergelijkende statistieken over marktaandelen inzake studenten, doctoraten, publicaties en projecten waarmee onderzoekers tegen elkaar worden opgejaagd; vergeten is de retoriek van groot, groter en grootst; verwaarloosbaar het financieringsmodel waarin de een maar vooruit kan gaan als de ander verliest. En dat we top zijn, moet blijken uit het aantal publicaties per inwoner, want: veel is goed, en goed is veel. Wát er in die publicaties staat, is voor zo’n eredoctoraat nieuwe stijl niet van tel.

 

Gelukkig staat in de opdrachtverklaring van elke universiteit wel een mooie volzin over kritisch onderzoek en onderwijs, over reflectie en debat. Nu we elkaar tot  topuniversiteit hebben uitgeroepen, kan dat voor ons geen enkel probleem meer zijn.

Comments are closed.