Frank Willaert

 

Tijdens de plenaire vergadering van 16 januari droeg Frank Willaert het voorzitterschap van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde over aan de dichter Stefaan van den Bremt. Ondervoorzitter wordt de Leuvense hoogleraar Editiewetenschap Marcel De Smedt. Willaert blijft lid van de bestuurscommissie van de Academie, waarvan behalve de voorzitter en de ondervoorzitter, ook de vast secretaris Willy Vandeweghe en de Antwerpse taalkundige Jef van Loon deel uitmaken.

Bij deze gelegenheid hield Willaert de volgende toespraak.

 

Geachte collega’s,

 

Wanneer kwaliteit meetbaar moet zijn, wanneer de jacht op projectgeld de drang naar kennis verdringt,  wanneer Jeroen Meus meer Vlamingen doet lezen dan Hendrik Conscience ooit vermocht, wanneer taal enkel nog  ‘communicatie’ heet, wanneer onderwijshervormingen voorgesteld worden met weer eens minder aandacht voor taal en letterkunde,[1] wanneer onze eerste romanschrijver gehuldigd wordt met rumoer over een straatnaambord waarvan geen mens wist dat er een voornaam op stond, in zulke tijden, beste collega’s, dienen zich kansen aan voor onze Academie.

 

Uiteraard niet als wij gaan neerzitten aan de oevers van Babylon en schreien over de tijden van weleer. Wel als we ervan overtuigd zijn dat een Academie die opkomt voor de Nederlandse taal en literatuur meer dan ooit noodzakelijk is, dat we hier een taak hebben waarvan we minder dan vroeger als vanzelfsprekend mogen aannemen dat ze door andere instellingen ter harte zal worden genomen.

 

Ik weet het: er zijn allerlei goede redenen om aan te voeren dat we onze ambities best temperen. We zijn klein. We hebben allemaal andere taken en bezigheden buiten deze Academie. En altijd rust op een Academie de verdenking dat ze een relict uit het verleden is.

 

Toch heb ik het voorbije jaar ook de gelegenheid gehad om te zien dat wat zwak lijkt ook een sterkte kan zijn. In vergelijking met grotere instellingen zijn de communicatielijnen hier kort: er kunnen snel initiatieven genomen worden zonder veel bureaucratische poespas. Door de vele taken die de leden  vervullen buiten onze Academie maakt ons gezelschap deel uit van een verrassend groot netwerk: hier komen zeer verschillende vormen van deskundigheid samen, een goudader die we niet genoeg kunnen aanboren. En de aura van ouderwetsheid die rond een academie hangt maakt haar in deze snelle tijden ook weer interessant, omdat men haar, hopelijk terecht, kwaliteiten en deugden toeschrijft die elders verloren dreigen te gaan.

 

Dat laatste viel me sterk op toen ik samen met onze Vast Secretaris deel uitmaakte van de jury die de kandidaturen voor de Jonge Academie moest beoordelen.[2] Ten eerste viel de zeer grote belangstelling op: liefst 146 kandidaturen voor 30 plaatsen, en dit hoewel de bekendmaking van het initiatief zeker voor verbetering vatbaar was. Maar in de brieven van deze jonge vorsers viel vooral het enorme enthousiasme op: voor de forumfunctie die zo’n Jonge Academie zal hebben;  voor de aandacht voor kwesties inzake wetenschapsbeleid; en voor de opdracht wetenschappelijk onderzoek ook te vertalen naar de maatschappij. Stuk voor stuk taken, beste collega’s, die – binnen het beperktere kader van de Nederlandse taal en literatuur – ook tot de missie van deze Academie behoren.

 

Het voorbeeld van de Jonge Academie illustreert ook een ander punt: dat we onze kleinschaligheid althans gedeeltelijk kunnen compenseren door allianties aan te gaan, in dit geval met de Koninklijke Vlaamse Academie van België. Dit samenwerkingsverband en vele andere zijn natuurlijk al oud,  maar we hebben er m.i. alle belang bij om bij zoveel mogelijk activiteiten na te gaan of samenwerking met andere actoren – universiteiten, onderzoeksinstituten, musea, bibliotheken, culturele centra, uitgeverijen, organisaties in het literaire en culturele veld e.a. – mogelijk is, er daarbij wel over wakend dat onze missie tot haar recht komt en onze inbreng en aanwezigheid duidelijk herkenbaar zijn.

 

Het is immers van belang dat de buitenwacht weet wat wij zijn en doen. De nieuwe media bieden ons in dit opzicht mogelijkheden die we nog beter moeten leren benutten. Het bijna onzichtbare Facebook-ikoontje op onze website bijvoorbeeld zou wat mij betreft best wat zichtbaarder mogen zijn. En waarom zouden we van onze installatievergaderingen, prijsuitreikingen en van openbare lezingen of boekpresentaties geen opnames maken om die, mits akkoord van de sprekers,  ter beschikking stellen via het internet? Niet alleen  zou de buitenwereld zich zo een beter idee kunnen vormen van wat de Academie is en doet,  maar tegelijk zouden we zo ook een beeldarchief samenstellen waarvan het belang met de jaren alleen maar groter zou worden.

 

Een jaar voorzitterschap is vlug voorbij, en ik kan slechts met spijt erkennen dat veel van wat ik had kunnen en moeten aanpakken, niet alleen niet is gerealiseerd, maar dat er zelfs nog geen begin mee is gemaakt.  Van de talrijke werven die hier genoemd zouden kunnen worden, vermeld ik er slechts een, die me in het licht van allerlei vaak verontrustende persberichten urgent lijkt: het middelbaar onderwijs, waar taal- en  literatuurvakken onder druk staan en dat te belangrijk is om het alleen aan de onderwijskundigen over te laten. Zouden we, zo vraag ik me af, niet kunnen bijdragen aan de herwaardering van de leraar Nederlands, door elk jaar na een oproep uit een reeks voordrachten één leraar te bekronen die zijn leerlingen op een creatieve manier  weet te passioneren voor het Nederlands en zijn literatuur? Moeten we ons ook niet actiever inlaten met het literatuuronderwijs? Hier ligt – horresco referens –  de vraag of er een canon moet komen voor het middelbaar onderwijs niet veraf: ik weet dat sommige van onze meest wijze leden huiveren bij de idee alleen al, maar toch vraag ik me af of we deze discussie niet moeten voeren en of er geen buitennlandse ervaringen zijn, waaruit we veel zouden kunnen leren.

 

Toen ik hier een jaar geleden stond, was dat niet zonder schroom, en zelfs met enige ‘Angst’: hoe zou ik het er af brengen? Aan het eind van het parcours voel ik spijt en weemoed: spijt om het vele dat had moeten gebeuren en niet gerealiseerd is, enige weemoed ook omdat ik tot mijn eigen verrassing moet erkennen dat ik het zeer graag heb gedaan. En dat had alles te maken met het feit dat ik me voortreffelijk wist omringd. Opgetild op de vleugels van anderen was het makkelijker vliegen dan ik had gevreesd. De vergaderingen van de bestuurscommissie waren weliswaar lang, maar vaak stimulerend, soms creatief en altijd zeer aangenaam. Ik dank de commissieleden Hugo Brems,  Stefaan van den Bremt  en Jef van Loon dan ook zeer oprecht. Het was een voorrecht een jaar lang met onze vast secretaris Willy Vandeweghe in teamverband te mogen werken. Beste Willy, ik waag het niet de talloze te schatten dat we dit jaar hebben uitgewisseld – het moeten er vele, vele honderden zijn geweest –maar ik vond het prettig zo intens met je te kunnen samenwerken. Ik heb je belangeloze inzet, je daadkracht en je openheid zeer leren  waarderen. Van het hoofd van onze administratie Marijke Dewit weet ik nu dat ze beschikt over een fabelachtige kennis over de Academie, en over veel meer. Haar loyauteit jegens de Academie verdient al mijn respect. Ik dank ook graag de overige leden van het personeel voor hun inzet: ik heb steeds op hen kunnen rekenen. Ten slotte, beste collega’s, gaat mijn dank uit naar u allen. Ik heb aan sommigen van u soms veel gevraagd, en vaak nog veel meer bekomen.

 


[1] Zie b.v. ‘Nog twee uur wiskunde en amper Nederlands. Alternatief lessenrooster voor eerste graad secundair’, in De Standaard (22.06.2012) http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF20120621_00194951

Comments are closed.